In de rommel

Img

De zoete inval

Mijn lof over de gemeente en instanties zijn duidelijk, maar de WMO-verbouwingsperiode in mei en juni 2020 was onprettig . Het bouwbedrijf leverde wel goed werk, daar niet om, maar hield zich geheel niet aan de agenda en de planning. Het was een zoete inval van bouwvakkers, die vaak op de meest willekeurige tijden kwamen werken, met tot gevolg vaak onnodig korte nachten voor ons, waar je dan voor niks vroeg uit de veren sprong. Het was zelfs niet eens zo dat ze een half of heel uurtje te laat kwamen, maar soms een dagdeel te laat. Een paar keer helemaal niet. En op dagen dat ze niet zouden werken, had je opeens de beste kerels wel binnen staan. Denk aan een pas gepoetst huis met de aanname dat er niemand komt, waar opeens weer bouwvakkers doorheen banjeren om een klein klusje tussendoor te doen. Zoiets is bijzonder slopend, en alles liep uit tot tien weken bouw, terwijl er zes weken voor ingepland waren. Ze lieten zich ook niet corrigeren onder het mom van ‘een opdracht is een opdracht’. In de aanloop naar de garagedeur hadden ze de klinkers bijvoorbeeld aansluitend op de ingang omhoog gelegd, opdat de opstaande dorpel van tien centimeter verdween. Dit op anderhalve meter, een Limburgse heuvel met een hoog stijgingspercentage tot gevolg, waar ik denkbeeldig met een rolstoel onherroepelijk achterover was gevallen. Of zonder rem achteruit richting de straat gelanceerd zou zijn. Ik gaf het direct aan, maar nee; opdracht is opdracht. Met tot gevolg dat soms iets overnieuw moest, of verbeterd. Het uiteindelijk werk was wel erg goed en volledig. Vooral de muren die gestukt werden, was een hele vooruitgang, simpelweg omdat er voorheen geen stuk op zat of een laag bezat in een zeer slechte staat. Na de verbouwing nam mijn vrouw extra een week verlof om verder te klussen, met hulp van een vriend uit de carnavalsvereniging, die bij ons belangeloos de langste muur van zeventien meter wilde behangen. Het was een wonder dat ze die energie nog had, want het warrige en chaotische optreden van het bouwbedrijf was nogal energie rovend geweest.

Container gehuurd

In de eerste week van maart 2021 had mijn vrouw omwille van een grote opruiming, wederom een week vakantie genomen en een grote container voor afval besteld. Door de toch wel snelle verhuizing in 2017, was echt alles ongeselecteerd meegenomen, resulterend in een tuinhuis, kelder en zolder onderhevig aan een ernstige obesitas. Door de spierziekte kon ik op den duur ook steeds minder betekenen in het eventueel selecteren en weggooien van in ieder geval mijn eigen oude troep. Zoiets stapelt zich enorm op. Voor de WMO-verbouwing was alles vanuit de bijkeuken en garage naar het tuinhuis verplaatst, echter weer niet echt geselecteerd. Ja, dan kom je wat tegen als je alles gaat opruimen. Om het leven te doorstaan, bedwelm je jezelf in verloop van tijd al snel met veel te veel kleding, met dubbel interieur, met oud hout, afgedankt tuinmateriaal, reserve tegels, zeil, prullen, bakjes en onnodige tierelantijnen. Ontdaan van die rommel, ontdoe je jezelf gelijk van die bedwelming, resulterend in een luchtig aangenaam geestelijk gevoel. Het werkt geestverruimend. Het is ook gewoon hard nodig geweest om flink uit te dunnen, want vanuit mijn handen is het onmogelijk om het spul een zin van bestaan te geven. Was ik gezond geweest, mijzelf kennende, had ik het terloops allemaal naar de stort gebracht. Dat zijn toch wezenlijke dingetjes wat mijn vrouw moet missen nu. Maar goed, haar actie was resoluut en grondig, en we hebben met niks moeite gehad om afstand van te doen. Weg ermee.

Opruimen werkt bevrijdend

Blij zijn wij er dus wel mee, en zeker was het nog prettig dat ik nog redelijk kon meehelpen. Toch kom je dan de beperkingen écht tegen. Ik constateerde conditioneel en qua kracht een heel verschil met drie jaar geleden. Het meest vreemde is de omdraaiing van onze onderlinge rollen, want waar ik vroeger het zware spul sjouwde, moest mijn vrouw dat nu doen. Dat blijft voor mij toch wel een moeilijk punt. Een confrontatie steeds weer, wat een gevoel van gelijkwaardig partnerschap aantast. Maar goed, als we nu zouden verhuizen, zou het enorm schelen wat betreft het volume aan inboedel wat je moet meenemen. En gewoon realistisch, als we dit nu weten aan te houden, zit zij ook niet met bergen troep als ik er ooit niet meer ben. Uiteindelijk verdween zes M3 in de container, wat goed was voor een gewicht van net iets meer dan 1 ton. Vooral de zolder, kelder en het tuinhuis hebben nu een heerlijke metamorfose ondergaan. Het echte opruimen doen we niet met ordenen, bewaren en opbergen, maar bestaat uit écht loslaten. Wat je durft los te laten, kan je ook niet meer vasthouden met de illusie dat het allemaal een happy onderdeel van je leven zou zijn. Erg bevrijdend. Hadden we eerder moeten doen! Een rommelig huis maakt een brein ook rommelig, en met de problematiek rondom alles aangaande de spierziekte is dat uiteraard niet handig. Het blijkt dat hoe meer rommel, men het des te meer uitstelt om het op te ruimen; maar anderzijds willen de hersenen orde in de chaos, en raak je sneller overprikkeld, stress tot gevolg.

Vermogen versus onvermogen

Als je door verlamde handen letterlijk ‘minder om handen’ hebt, ga je heel anders kijken naar wat een mens nodig ‘denkt’ te hebben. Ze zeggen wel dat veertig jaar geleden het leven twee keer zo goedkoop was en dat daarom één kostwinnaar een gezin kon onderhouden. Maar de waarheid is ook dat wij twee á drie keer zo veel willen bezitten als veertig jaar geleden. Ik deed eens een herberekening, nu dat ik niks anders meer hoef te hebben dan huisvesting, eten, drinken, verwarming, een laptop, Internet, 1 tv, langzaam slijtende kleding & schoeisel en een mobiel. Dan heb ik zeventig procent van mijn inkomen (uitkering) nodig. Hoe anders is dit toen ik nog gezond was! Te denken aan een tweede auto wat voor werk nodig was, kleren en schoenen die sneller sleten en gewoonweg op alle fronten de illusie bestond dat je van alles nodig had. Je huis zuigt zich langzaam vol dankzij de met open armen ontvangende zolder, tuinhuis en kelder, waar alles ligt, maar amper iets terug te vinden is, om jarenlang onaangetast te blijven. Totdat je alles weer in handen krijgt door een WMO verbouwing, en een container besteld, en zegt; “ik word er wild van, genoeg is genoeg, weg ermee”. Het werpt bij mij de vraag op wanneer het genoeg is wat wij willen bezitten? Nu is de bepalende factor van het ‘genoeg’ de mate waarin ik de spullen kan gebruiken. Wanneer is genoeg genoeg? Die feeling zijn wij toch wel verloren in onze gezamenlijke graaicultuur, totaal niet bewust van het feit dat ‘meer’ echt niet gelukkiger maakt dan ‘minder’. Met ‘minder’ doel ik niet op ‘te weinig’; armoede dus. Nu gaf ik gelukkig nooit veel uit, mijn levenswaarden kennende, die mij wapende tegen de verleidingen van de consumptiemaatschappij. Maar een extraatje gunde ik mijzelf uiteraard ook wel eens. Na het afkicken van het workaholic syndroom, en de grote opruimactie thuis, vind ik wel dat er door een proces is gegaan die nog meer inzicht heeft gegeven in de waarde van het leven. En geloof me; het waardevolste bezit is een goede gezondheid. En als je elke ochtend in vrijheid uit een bed stapt, met een eigen dak boven je hoofd en een ontbijtje met drank kunt nuttigen, besef dan dat je bij een zeer kleine groep rijkste mensen ter wereld behoort. Voor miljarden mensen geld het niet als vanzelfsprekend dat ze in zulke leefomstandigheden ontwaken. Bezit zonder gezondheid is vreugdeloos.