Carnaval

Img

Dorp verkennen

Door de verhuizing, en hierdoor gepaard gaande drukte, waren wij er begin 2018 eens aan toe om het dorp te verkennen. Kortom; socialiseren en sfeer proeven. Er waren nog maar weinig bewoners van vroeger over die ik nog kende. Ook wel schrikken hoe door individualisering en verstedelijking een dorp uitgekleed, inactief, ongeïnteresseerd en afstandelijker wordt! In principe kende we er na toch al acht maanden te hebben gewoond nog niemand, Mijn vrouw, een rasechte doorgewinterde carnavalsliefhebster, wist mij te verleiden om uit mijn (suffe) comfortzone te komen en carnaval in het dorp te gaan vieren, wat toen in begin maart 2018 viel. Die carnaval viel nog nét voor de eerste verlammingsverschijnselen. Het was erg leuk. Kleinschalig, dat wel, in een dorp met 1800 inwoners. De vaste carnavalskern zal ongeveer 80 mensen zijn. Eigenlijk heb je dan meer een groep, die onder het mom van 'vereniging' carnaval voor zichzelf vieren. Het beviel mij zo goed, dat het plan ontstond om ieder jaar dit te gaan te vieren. Uiteraard nog totaal onbewust van de samenpakkende donkere wolken die ons leven snel zouden gaan overschaduwen.

Carnavalsbeesten

Ik herinnerde mij de carnaval veertig jaar geleden in het dorp als iets met honderden mensen, een redelijke optocht en drie volle bruisende cafés, waaronder die van mijn ouders. Het festijn is in de tussentijd veel meer naar de grote steden verplaatst. Hoe dan ook, wij werden al snel ingeschat als echte carnavalsbeesten, iets wat eigenlijk alleen gold voor mijn vrouw. In het voorjaar dat daarop volgde, in juni 2018 geloof ik, hadden we opeens twee mannen van de Prinsencommissie op bezoek met de vraag of we Prins en Prinses Carnaval wilden zijn voor het seizoen 2018-2019. Een seizoen wat begin maart 2019 eindigde en precies parallel liep met het eerste jaar van mijn spierziekte. In eerlijkheid werd door ons aan hen verteld dat ik progressief ziek was, maar dat het uiteindelijk wel eens kon meevallen, als de infusen immunoglobuline zouden aanslaan. En dus zeiden we; “Ja”!

Spierziektegeheim

Uiteindelijk gaven de infusen Kiovig mij zoals energydrink een boost, maar geen verbetering in spierkracht. Wij hadden altijd al het vermoeden dat het iets anders moest zijn, waar geen medicijn tegen gewassen is. Op 11 november, de dag dat het prinsenpaar wordt uitgeroepen, had ik al mijn strekspieren van de vingers al verlamd. Met de carnavalsdagen liet ik mijn Prinses mijn hand tapen zodat deze open stond om te kunnen voldoen aan de vele handen schudden. Zonder tape had ik rechts een vuist die ik niet open kreeg. Aan de wildste polonaises kon ik nog amper meedoen, maar uiteindelijk was het toch erg geslaagd, en was het dorp niet eens mijn spierongemakken opgevallen. Dit wilde ik ook niet, en alleen enkele ingezetenen van de vereniging wisten er ‘iets’ van. Zo lang als mogelijk heb ik een façade geprobeerd hoog te houden, zodat een spierziekte niet aan mij te zien was. Niet om dit naar mijzelf toe te ontkennen, maar gewoonweg omdat ik dat prettig vond zolang het mogelijk was. Het zal een variant zijn op mijn principe dat de aangetaste gezondheid mag heersen, maar niet moet overheersen. Daar zit voor mij persoonlijk een belangrijk verschil. Ieder zijn of haar principes. Echt uitleggen waarom ik dat heb kan ik niet, maar met carnaval vond ik het wel prettig het zo verborgen te houden.

Weinig restschade

Het Prinsschap greep ik vooral aan met het gevoel: ’nog een keer er vol tegenaan, uit die comfortzone, en genieten, want het is waarschijnlijk de laatste keer dat ik dat zo uitbundig kan’. Het is ook een begin van het verschijnsel dat men herinneringen gaat verzamelen uit een reservoir van geslonken toekomsttijd. Anderzijds ook wel een afspiegeling van een ander principe van mij, om altijd het onderste uit de kan te halen, en te genieten van wat je wel nog kan. Niet te veel omkijken naar wat je dus niet meer kan. Met de spierziekte ging altijd al veel vermoeidheid gepaard, wat je voelt in heel je lijf; het 'zak zout' gevoel. Tussendoor ook nog tweewekelijks die infusen Kiovig thuis, waar je vlak na de toediening ook niet helemaal lekker fit van bent. Maar uiteindelijk resulteerde alles achteraf in alleen maar een hele dikke pijnlijke polonaise-knie. Een prima restverschijnsel, want het Prinsschap kan naar horen zeggen, je tien jaar van je leven kosten. Gein natuurlijk, maar het is een hint naar vooral de alcohol, ongezond eten en weinig slaap. Maar dat hield ik wel binnen de perken. De rest van het lijf, buiten die dikke knie om, had het dus prima overleeft.

Ik deed het niet alleen

Ik was nooit een Limburger geweest die veel had met Carnaval. Uiteindelijk dus wel, en het is een voorrecht geweest om deze folklore in alle uithoeken mee te hebben gemaakt. Soms had het wel haken en ogen. In die tijd had ik namelijk al de eerste verschijnselen van wat ik “overprikkeling” noem. Door een té veel aan indrukken moest ik soms cognitief aan kwaliteit en alertheid inboeten. Door deze geestelijke mist (brainfog) wel enkele gelukkig niet al te grote blundertjes tot gevolg, ook naar mijn Prinses toe, die ik op een podium bijvoorbeeld even helemaal vergat een medaille om te hangen. Plankenkoorts had ik nooit in mijn leven, en ik was niet onbekend met publieke optredens. Dus zelfvertrouwen genoeg zou je zeggen. Maar die cognitieve kortsluiting zo af en toe baarde wel zorgen. Het is best spannend, te weten dat je iets raars kunt zeggen of iets kunt vergeten, zonder het op tijd door te hebben. En een Prins carnaval heeft best wel wat te communiceren! In een laatste toespraak, tijdens het emotionele aftreden, haalde ik wel iets aan waar iedereen zich bewust van moest zijn; “dat de Prinses haar Prins steeds weer oplapte en dat het zonder haar niet gelukt was”.

Trots

Waarom ik het prinsenverhaal heb opgenomen in mijn schrijfsels, is omdat ik er trots op ben. Niet zozeer op de keuze voor ons in dat kleine dorp, waar ze bijna geen prins meer bereid konden vinden; daar valt geen eer in te behalen, met juist een grote waarschijnlijkheidskans dat je gevraagd wordt. Nee, trots omdat het volbracht kon worden onder de nodige protesten van mijn lijf en geest. In je eentje trots zijn, is als een bezem omgekeerd op je wijs- en middelvinger laten balanceren; de kleinste verstoring doet het kunstje teniet. Maar er waren ook ondersteunende complimenten binnen de vereniging die mijn trots bevestigde. Met het oog op de opzwellende spierziekte gaf het hele avontuur een goed gevoel van; ’je niet laten kennen’. Al is er fysiek krachtverlies, je persoonlijkheid hoeft niet aan kracht in te boeten. Die regie heb je echt nog lang zelf in handen. Wie niet sterk is moet krachtig zijn.